Schijnzelfstandigheid onder het vergrootglas: nieuwe regels, harde handhaving
door Zoya Zalmai en Chantal Presilli, partners bij Eversheds Sutherland
De inzet van zelfstandigen (zzp’ers) is al jarenlang een vast onderdeel van de bedrijfsvoering. Het juridische en fiscale speelveld rondom deze inzet is echter momenteel sterk in beweging. Waar tot 1 januari 2025 nog een handhavingsmoratorium gold voor de Belastingdienst bij de beoordeling van arbeidsrelaties, is die beschermingslaag sinds die datum volledig verdwenen. Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer actief op schijnzelfstandigheid en kan zij direct ingrijpen wanneer een arbeidsrelatie feitelijk als dienstbetrekking moet worden beschouwd. Daarbij is de Belastingdienst bevoegd om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 naheffingen op te leggen indien werkenden onjuist zijn geclassificeerd.
Voor bedrijven betekent dit dat contracten, governance‑structuren, inhuurprocessen en compliance‑kaders opnieuw en integraal kritisch moeten worden beoordeeld. Niet alleen vanuit arbeidsrechtelijk perspectief, maar in het bijzonder ook vanuit fiscaal oogpunt: de financiële risico’s van een onjuiste kwalificatie kunnen aanzienlijk zijn voor zowel de werkgever als de werknemer.
In deze bijdrage geven wij een overzicht van de recente ontwikkelingen op het gebied van de herkwalificatie van arbeidsrelaties en staan wij stil bij de fiscale impact daarvan.
Wettelijk kader arbeidsovereenkomst (privaatrechtelijke dienstbetrekking)
Vanuit fiscaal perspectief begint de analyse altijd bij één kernvraag: kwalificeert de arbeidsrelatie als een privaatrechtelijke dienstbetrekking? Het antwoord daarop hangt af van de vraag of de samenwerking tussen partijen moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW.
[....]